Liberalisering

Van liberalisering is sprake als de overheid beperkingen om tot een bepaalde markt toe te treden opheft en dus concurrentie toestaat.
Sinds de jaren tachtig zijn verschillende liberaliseringen doorgevoerd. In Nederland gebeurde dit onder meer onder de kabinetten Lubbers, Kok en Balkenende.
Een voorbeeld van een liberalisering is de telecommunicatiesector. Vanaf 1998 stond het ondernemingen min of meer vrij tot die markt toe te treden. Sindsdien is mobiel bellen voor vrijwel iedereen betaalbaar geworden. Ook bellen via het vaste net werd veel goedkoper, dat geldt met name voor internationaal telefoonverkeer.

Een andere markt die geliberaliseerd is, is de Nederlandse elektriciteitsmarkt. Op deze markt zijn verschillende partijen actief geworden.
Vanuit de antiglobaliseringsbeweging en de vakbonden is er vaak kritiek op de liberalisering omdat die ten koste zou gaan van arbeidsplaatsen. Voorstanders voeren daarentegen aan dat liberalisering vrijwel altijd gunstig uitpakt voor burgers omdat zij er meer keuzevrijheid door krijgen.
Liberalisering moet niet verward worden met privatisering. Dat laatste is het omvormen van overheidsdiensten tot privaatrechtelijke ondernemingen, meestal met de bedoeling van een gehele of gedeeltelijke verkoop. Zo is bijvoorbeeld in Vlaanderen de televisiemarkt gedeeltelijk geliberaliseerd sinds de komst van VTM en VT4, maar de oorspronkelijke overheidszender VRT blijft in handen van de staat, is dus niet geprivatiseerd.